Keizerlijk Hué en schilderachtig Hoi An


Dit verhaal werd op 14 januari 2012 geschreven.

Dinsdag kwam ik in de namiddag aan in Hué. Het regende nog erger dan ik in Hanoi had meegemaakt. De eerste indruk van Hué was vooral een troosteloze, slaperige stad. Maar daarmee deed ik Hué achteraf gezien tekort. De stad is veel rustiger dan het drukke Hanoi. Maar ook veel gezelliger en meer gemoedelijk. Ik had, nu achteraf, deze stad met haar één miljoen inwoners niet over willen slaan. Sterker nog, ik was er veel te kort. Maar daarover later meer.

Dinsdagochtend, in Hanoi, vlogen in het hotel de dongs eruit. Mijn gepinde Dongs de avond ervoor waren nagenoeg in één klap op. 400.000 Dong om via het hotel een taxi te boeken. De taximeter gaf op het vliegveld net de helft aan. Wilde die chauffeur, ik schatte hem jonger dan mij, ook dat geld op de meter nog zien. Dat vroeg hij al onderweg. Moest ik in zijn ogen nog tol betalen. Het enige woord dat hij sprak was money. Van mij kreeg hij niet meer dan ‘no’ en ‘drive’ te horen.

Ook moest ik in het hotel nog 200.000 dong betalen voor een glas sap, een mok koffie en twee sneetjes geroosterd brood. Dit omdat ik terug uit SaPa om 6.oo uur incheckte in plaats van na 13.00 uur. Ik wil er best voor betalen, maar niet zoveel voor zo’n karige bende. Dat heb ik ze ook maar even gezegd. Uiteindelijk moest ik toch betalen. Oja, ook nog 200.000 Dong voor de was. Ik had wat kleren laten wassen. Nou dat was achteraf niet te zien. Toch maar betaald en op Gorden Ramsey achtige wijze vertrokken. Die jongens runnen een hotel. Oplichters.

Op het vliegveld geen problemen. Het was een binnenlandse vlucht van Hanoi naar Hué, dus hoefde ik niet langs de douane. Hué heeft maar een klein vliegveld. Daarbuiten staan meer taxichauffeurs te wachten dan de uit het vliegtuig stappende passagiers die een taxi nodig hadden. Ik had er dus wel een nodig. Terwijl ik nieuwe Dongs pinde, ontstond achter mij een aardige rij opdringerige taxichauffeurs. Opletten geblazen, want voor dat je het weet…

Nu stap ik niet in iedere taxi, ik eis er wel een meter. Eentje gevonden, prima, op naar het hotel. Daar aangekomen was het vrij makkelijk inchecken. Dit hotel oogde in alles beter dan het hotel in Hanoi. Op het moment dat ik ging inchecken kom ik in dat hotel toevallig Tim en Jillian weer tegen. Zij gingen net uitchecken en door naar Ho Chi Minstad. Zo klein is de wereld dus! Aangezien ik in Hué eigenlijk maar één volle dag zou zijn, leek het mij handig voor woensdag een dagtour te boeken. Dat bleek verstandig, want dat wat ik wilde zien had ik op eigen gelegenheid niet kunnen bolwerken. Daarvoor zijn de onderlinge afstanden toch wat te groot. En zo vond ik mezelf woensdagochtend terug in een grote touringcar met nog dertig andere toeristen.

De ochtend was gevuld met een bezoek aan de tempels van Minh Mang, Khai Dinh en Tu Doc. Nou daar was ik wel op mijn plek. Wat een historie en wat een machtige bouwwerken. Ik keek mijn ogen uit. Dat het daarbij de hele tijd regende was wat jammer voor de foto, maar deerde mij verder niet zo. Tussendoor gingen we nog naar een voorstelling marterial arts en een lokale markt. Na een behoorlijk twaalfuurtje naar binnen te hebben gewerkt, vertrok het hele gezelschap naar de Keizerlijke Stad. Bijna alles in de Verboden Stad is verwoest, maar de oude toegangspoort, de muren en de grote vlaggentoren aan de voorzijde zijn nog steeds intact. In de Verboden Stad staan hier en daar wat ruïnes, verder is het vooral gras. Het meeste is verwoest. Maar net als de Verboden Stad in Beijing uitermate boeiend. Ook de troon waarop de keizers gezeten hebben is nog steeds origineel.  Sommige keizers haden soms wel 100 vrouwen!

Na de ‘citadel’ gingen we nog naar de Thien Mu pagode. Het is de oudste van Vietnam. Daar was overigens net een ceremonie bezig en waren er enkele monniken te zien. Vervolgens gingen we per boot terug naar het centrum van de stad. Dat was mijn siteseeing in Hué. Jammer, want in deze mooie, oude voormalige hoofdstad is veel meer te zien. Ik ben twee avonden in Hué geweest. Eerst een hapje eten in het fraaie restaurant la carambole. Mijn zoektocht naar een leuke bar bracht me bij de DMZ, populair onder de toeristen. De wereld is zoals gezegd klein, en je doet op zo’n reis zoveel nieuwe contacten op. Soms kom je dus ook weer dezelfde personen tegen. De meeste maken over het algemeen dezelfde reis en komen op dezelfde plaatsen.

De tweede avond raakte ik in gesprek met Si, werkzaam in de DMZ. Ze sprak goed engels, en dat duurde zeker een half uur. Makkelijk verdiend voor deze 21-jarige van Indische afkomst! Zij bleek tot 22.00 uur te moeten werken. Was ik op de pooltafel net de strijd aangegaan met een Australiër en had ik net een nieuwe goudgele rakker, vroeg Si of ik mee wilde gaan poolen in een meer rustige bar een paar straten verder. Prima, eerst deze game uitspelen, dan zou ik wel langskomen. Dus zij me de weg gewezen. Eerste links, tweede rechts, bar crazy buffalo’s. Nou, dat zou wel lukken om te onthouden. Ik daar dus naartoe, nog even gepooled en het gesprek voortgezet. Helaas moest zij voor half 12 thuis zijn. De cultuur is hier nu eenmaal anders dan bij ons. Even contactgegevens uitgewisseld en nog even samen op de foto. Vroeg ze of ik donderdag zin had in een rondleiding door de stad want zij zou vrij zijn. Dat ging voor mij niet, gezien mijn treinreis naar Da Nang en het vervolg per taxi naar Hoi An. Dat was wel een beetje jammer.

Die treinreis zou die donderdag wel eens even kunnen duren. In Vietnam kan je niet uitgaan van vooraf ingestelde treintijden. Je moet een half uur voor vertrek aanwezig zijn, maar het kan zomaar zijn dat de trein pas drie uur later komt. Mijn trein kwam dan na 1,5 uur wachten eindelijk opdagen. Dat viel dus nog wel nog mee. Eenmaal in de trein is het geen pretje. Het stinkt er naar zweet en de Vietnamezen hoesten proesten heel wat af. Aangezien ook de lunch werd opgediend, was ook het uitgbreide gesmek te horen. Een oude stoptrein van de NS is nog een paradijs vergeleken met dit treinmateriaal.

Terwijl ik alvast een begin maakte aan dit verhaal, ontstond er een praatje tussen mij en Kim. Deze Vietnamese studeert medicijnen en was alweer onderweg naar huis. Weekend, en het is pas donderdag. Studenten hebben dus ook in Vietnam een luizenleven. Overigens koop je hier een treinkaartje met een vast stoelnummer. Je kunt dus zelf niet bepalen waar en naast wie je gaat zitten. Achter mij zaten gelukkig twee duitsers, dus ik was niet helemaal omringd door Vietnamezen. De treinreis zou uiteindelijk drie uur gaan duren. Ook deze route was voornamelijk over één spoor. Vervolgens in Da Nang een taxi naar Hoi An.

In dit kleine stadje met 120.000 inwoners zou ik drie dagen blijven. Na aankomt een beetje door de stad gelopen. Veel toeristen, maar gemoedelijk. Het is in deze stad een goed leven. Een paradijs op aarde. De oude architectuur is schilderachtig mooi. Werkelijk prachtig. De lokale bevolking verdient zijn geld voornamelijk in het toerisme. Er zijn veel kleine restaurantjes en hier en daar een bar. Ook zijn er veel souvenirswinkels. Echt heel erg veel voor dit kleine stadje, dat eigenlijk meer op een dorp lijkt. In de omgeving veel groene rijstvelden, en de kust is op slechts 4 kilometer afstand. En het eerste restaurant als ik mijn hotel verlaat? Indisch! Is dit nou toeval? Ach ja, grappig.

De volgende dag had ik een dagtour naar My Son (spreek uit als Mie Son, dus niet op z’n engels). Nabij dit kleine dorpje, vijftig kilometer van Hoi An, liggen de niet voor iedereen bekende Cham-ruïnes. Ook voor mij onbekend. Maar dat veranderde toen ik de reisgids aan het lezen was. In het hotel gelijk een tour geboekt. Deze Cham-monumenten staan uiteraard op de Werelderfgoedlijst sinds 1999. Veel van deze eeuwenoude tempels, sommige dateren uit de achtste eeuw, zijn in de Vietnam-oorlog verwoest door de Fransen en de Amerikanen. Die dachten dat de Vietcong hier haar schuilplaats had. Daarin zaten ze dus fout. Tijdens onze tocht door de jungle hebben we elf tempelgroepen gezien, maar volgens de gids zijn er in de omgeving misschien nog veel meer niet ontdekte ruïnes.

Veel tempels zijn dus bijna volledig verwoest. Toch doen de Vietnamezen al dertig jaar hun best tempels te herbouwen. In dit project worden ze bijgestaan door UNESCO, Italië, Frankrijk en de Verenigde Staten. Maar, ze krijgen het niet voor elkaar. Ze hebben geen idee hoe de Cham eeuwen geleden deze tempels hebben weten te bouwen.  Wat men nu wel weet is dat er tussen de bakstenen (!) een soort plantaardig hars is gebruikt, en dat na langdurige (na)bewerking met vuur de bakstenen muurvast met elkaar verbonden waren. Tussen de bakstenen is dus geen cement of wat dan ook te zien. Fascinerend! Maar wat dertig jaar geleden is herbouwd met dit hars, maar soms ook gewoon met cement, brokkelt nu langzaam af. Dat maakt deze ruïnes zo uniek. Dat wat de cham eeuwen geleden wel lukte, krijgen ze nu niet voor elkaar.

De volgende dag (zaterdag) ben ik in de ochtend naar de Marmeren Bergen gegaan, nabij Da Nang.  Hier staan diverse pagoden en hebben de Cham in verschillde grotten altaren ter ere van Boeddha ingericht. Gistermiddag overigens voor het eerst de zon gezien, al is het vandaag weer bewolkt. Maar ook zonder de zon is het hier warm. Korte broek en tshirt weer!

Advertenties
Categorieën:Azië, Vietnam, Vietnam, Cambodja & Thailand 2012Tags: , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: